Ook wijken moeten kansen bieden

Interview met Wil van Nunen

 

Het allereerste waar ik aan denk bij ongelijkheid en het creëren van gelijke kansen is de school en eigenlijk al de periode daarvoor. Daar begint het, en daar kun je het meeste doen met het langste effect. Ik word dan erg geïnspireerd door de uitspraak van de Amsterdamse wethouder Marjolein Moorman: ongelijkheid moet je met ongelijkheid bestrijden. Dat hoorde ik trouwens al 20 jaar terug van een collega in het onderwijs, en dat raakte me toen al.
Kinderen komen met ongelijke bagage naar school. Dat kan in heel veel dingen zitten. Sommigen krijgen van huis uit veel meer vaardigheden mee op het gebied van spreken, lezen, rekenen. Maar het gaat dan ook om hoe en waarover er in het gezin gesproken wordt. Krijgen kinderen iets van de buitenwereld mee? Gebeurt dat op een manier waarop ze hun gedachten scherpen? Worden er uitjes gemaakt, aan sport gedaan? Of wordt eigenlijk alles in het gezin overheerst door de vraag hoe te overleven, de eindjes aan elkaar te knopen?
En natuurlijk: in wat voor omgeving wonen mensen, is daar voldoende voor kinderen? Is er ook groen, is de wijk een beetje divers?
Het is natuurlijk niet zo dat je als onderwijs -of als politiek- gaat over wat er achter de voordeur gebeurt. Maar op de plekken waar je er wel over gaat -in de klas- moet je alert zijn op achterstanden. Als er een groot verschil zit tussen wat er op school van kinderen verwacht wordt en wat ze van huis uit mee krijgen, moet je kijken of dat ten koste gaat van hun kansen. En als dat zo is, moet je compenseren. Daar moet je ook de ouders bij betrekken, want dan bereik je veel meer mensen. En je moet het niet maar eventjes doen, maar echt lang volhouden.
Bij de fase vóór de school gaat het natuurlijk om peuterspeelzaal en de kinderopvang etc, maar zeker ook om de consultatiebureaus. Ik las een tijdje terug dat ruim 98% van de ouders daar komt in de eerste jaren na de geboorte, dus daar heb je al een heel grote groep. En dan moet je kijken hoe je degenen bereikt die er niet komen.

Een tweede belangrijk punt is dat van inkomen en vermogen. Dan heb je het o.a. over de arbeidsmarkt. Daar heeft niet iedereen gelijke toegang toe. Voor een deel is dat terechte selectie, maar er is ook sprake van discriminatie: op grond van gender, geaardheid, etnische achtergrond. En als je wel een baan hebt, kan diezelfde discriminatie leiden tot ongerechtvaardigde verschillen in beloning en andere waardering – tijdens je werkzame leven, maar ook daarna. Het maakt veel uit of je alleen van de AOW moet leven, of dat je ook een pensioen hebt.
En overigens – bij werk gaat het niet alleen om inkomen. Het gaat ook om binding met een organisatie, met andere mensen, en om persoonlijke ontwikkeling. En bij financiële verschillen gaat het niet alleen om inkomen, maar ook om vermogen. We zien nu weer duidelijk dat de rijken -mensen met een huis, met geld in aandelen of op een andere manier in een bedrijf- steeds rijker worden en mensen met alleen een inkomen uit arbeid niet, of er zelfs op achteruit gaan.

En daarmee kom je bij het derde punt: wat je kunt betalen voor essentiële dingen als een woning en eten leidt ook weer tot ongelijkheid. Ongelijkheid die vervolgens wordt doorgegeven van generatie op generatie. De woningmarkt, bijvoorbeeld, zit op het ogenblik zo in elkaar dat er echte bubbels ontstaan: wijken met mensen die kunnen kopen of een hoge huurprijs kunnen betalen, en wijken met vooral goedkope huurwoningen en ook vaak minder goede voorzieningen, groen etc. En als je het laatste soort wijk begint, kom je er steeds moeilijker uit naar een wijk met meer voorzieningen, betere huizen etc.
Gebrek aan voorzieningen maar ook de homogeniteit heeft direct gevolgen voor de kinderen die daar opgroeien. Daar moet je als politiek wat aan doen: ook wijken moeten kansen bieden.

Een punt waar ik niet zo zeker van ben, is de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Ja, er wordt verschil gemaakt, meestal in het nadeel van vrouwen. Ik heb dat overigens zelf nooit zo ervaren. Maar je kunt als vrouw ook wel veel doen om je gelijke positie te pakken. Je moet een stap naar voren zetten. Je moet in jezelf investeren. En je moet loslaten – het schoolplein, de tennisclub. En daarmee moet je niet wachten tot de kinderen “oud genoeg zijn”, want dan word jij te oud gevonden en heb je in elk geval te weinig ervaring.
Wat je wel hoort, zijn vrouwen die zeggen “ja, maar dan werk ik voor de kinderopvang”. Maar dat is natuurlijk niet zo – je werkt samen voor de kinderopvang. En het gaat niet allen om je inkomen, maar ook om je ontplooiing. Hoewel dat natuurlijk ook wel afhangt van het werk.
Wat ik wel zie, is dat dingen aan het veranderen zijn. Veel vrouwen blijven werken als er kinderen komen. Maar dat zijn wel vaker de hoog opgeleiden.

De politieke conclusie die ik hieruit trek, is dat je integraal armoedebeleid moet voeren. Wethouders moeten niet (alleen) de potjes op hun terrein goed beheren, maar bedenken hoe je die gecombineerd met zoveel mogelijk resultaat kunt inzetten. Er wordt momenteel echt teveel naar individuele regelingen gekeken en te weinig naar een structurele aanpak.

 

Wil van Nunen woont sinds 2006 in Rijswijk. Ze is sinds 2010 lid van de gemeenteraad voor de PvdA, en ze is wijkvertegenwoordiger voor Leeuwendaal, Hoornwijck en Broekpolder. Als zzp-er geeft ze over het hele land trainingen aan en coacht ze mensen in organisaties op het gebied van cultuur en onderwijs.
Aan vrijwilligerswerk doet ze tegenwoordig vooral losse dingen, als er behoefte aan is. Ze werkt mee aan de koffieochtenden in de Leeuwendaalkerk, heeft tijdens de corona-lockdowns via WelzijnRijswijk een aantal belmaatjes gehad en doet vrijwel elk jaar wel mee met Nederland Doet. En vroeger, toen haar zoon nog thuis woonde, deed ze natuurlijk het nodige op school, bij de sportclub en voor het koor waarin hij zong.

 

 

 

Interview in het kader van “Van waarde voor Rijswijk
Interviewer: Max Kommer
Foto: Desiree Verstege